De Oorsprong van de Rus

Na de val van de Sovjet Unie zijn de Russische historie en toekomst wederom een belangrijk onderwerp van discussie geworden. (Gleason 2009: 1). Niet in de minste plaats is dit terug te zien in de politiek en media. Daarbij wordt regelmatig over Rusland gesproken als een niet-Westers land, met haar geheel eigen identiteit en een corresponderende eigen ontwikkeling.  De discussie betreffende de Russische identiteit en diens oorsprong houdt echter niet slechts twintig jaar, maar al honderden jaren de gemoederen bezig.  De centrale vraag die tot de kern van deze kwestie behoort, is in hoeverre Rusland nu eigenlijk zijn oorsprong heeft in het Westen. Of in hoeverre het de Slaven zelf zijn geweest die ten grondslag liggen aan het grote land dat we nu kennen.

Deze discussie begon min of meer in de 18e eeuw (Detrez 2008: 25).  Het was Peter de Grote die in 1725 de Academie van Wetenschappen oprichtte, waarmee hij tevens de Russische geschiedschrijving in handen legde van een aantal Duitse historici (Konstatin 2009: 93), waaronder Bayer, Muller en Schloezer (Ibidem: 97). Deze historici stonden aan de basis van de zogenaamde ‘Noorse theorie’. Die theorie, gebaseerd op geschreven verhalen (o.a. de Nestor-kroniek) en archeologische vondsten, beschrijft dat het de Noormannen waren die aan de basis lagen van het ontstaan van Kijev-Rusland, voorloper van het huidige Rusland. De Noormannen trokken namelijk in de 8e eeuw via de Finse Golf het huidige Noord-Rusland binnen. Doordat de Wolga-Bulgaren en de Chazaren de toegang versperden tot handel met de Arabieren, maakten ze gebruik van de route via de Dnepr naar de Zwarte Zee. In 862 werden ze echter verjaagd door een aantal lokale stammen. Echter omdat diezelfde stammen vervolgens onderling ruzie kregen, werd een eerder verjaagde stam, de Roes, gevraagd om orde op zaken te stellen. De leider van de Roes, Rjoerik, vestigde zich bij het huidige Novgorod, zijn kompanen Askold en Dir in het huidige Kiev. De opvolger van Rjoerik, Oleg, doodde deze laatsten echter in 882 en verenigde daarmee het rijk. Hij bracht zo ook in het begin van de 10e eeuw de hoofdstad van Novgorod naar Kiev (Detrez 2008: 26). Daarmee staat dan dus een Noorman aan de basis van het politieke en culturele klimaat van het land dat we nu kennen.

Als gevolg van Peter de Grotes allomvertegenwoordigende buitenlandse invloeden ontstond er echter ook patriotisme (Rogger in Konstatin 2004: 97).  Als tegenreactie zie je  dat Russische wetenschappers, waaronder Lomonosov, dezelfde kronieken gaan raadplegen en deze aanvullen met andere bronnen. Men komt daarbij tot de conclusie dat het niet de Noren, maar de Slaven zijn geweest die aan de basis stonden van het ontstaan van Rusland. Dit wordt de anti-Noorse of Russische theorie genoemd. Zo zou Roes niet verwijzen naar een volk, maar naar een zijrivier van de Dnepr, waar een Slavisch volk al eeuwenlang woonachtig was. Dit volk zou al in een Syrische bron in 555 na Chr. genoemd zijn als Hros of Roes (Pritsak 1977: 251). Bovendien laten Scandinavische bronnen niets zien van een Noorse stam die Roes zou heten (Ibidem: 252). Tot slot zou Oleg het rijk niet helemaal niet hebben verenigd, daar hij in 911 terugkeerde naar het Noorden, waardoor de Varjaagse bezetting slechts van korte duur was. In 913 werd hij opgevolgd door Igor, een Slaaf, waardoor de Rjoeriks geen Germanen blijken te zijn (Detrez 2008: 28).

De discussie heeft vele bronnen opgeleverd, maar de interpretatie ervan levert tot op de dag van vandaag verhitte debatten op. Zo beschuldigen sommige Russische historici, zoals Riasanovsky (1947: 97), hun Europese en Amerikaanse collega’s van eenzijdige interpretatie en een te stellige overtuiging. Sommige aanhangers van dit anti-Normanisme gaan nog veel verder. Formenko (in Konstatin 2004: 130) bijvoorbeeld, beweert zelfs dat de Russische geschiedenis zoals we die nu kennen een leugen is, die verspreid is ten tijde van de Pro-Westerse Peter de Grote, en dat historici in de 18e en 19e eeuw Noorse theorie zelfs pagina’s uit bronnen zouden hebben verwijderd om hun conclusies te versterken.

Beide theorieen blijken feilbaar. De scherpe stellingname van de grondleggers van de Noorse theorie, van een primitieve en achterlijke Slavische cultuur, die verheven werd door Scandinavische stammen, blijkt na twee eeuwen van debat genuanceerder te zijn (Ibidem: 97). Problematisch blijft echter wel, dat de Noorse theorie bij Russen tot op de dag van vandaag een gevoel van krenking losmaakt. Niet voor niets heeft Stalin de Russische theorie destijds als officiële doctrine benoemd. Net als de Russische toekomst, zal dus ook de Russische geschiedenis ongetwijfeld een onderwerp van felle discussies blijven.

Detrez, R. (2009) Rusland: Een Geschiedenis. Antwerpen en Amsterdam: Houtekiet.

Gleason, A. (2009) ‘Russian Histography after the Fall’. In: Gleason, Abbott (ed.) A Companion of Russian History. Malden, Oxford, West-Sussex: Wiley Blackwell: 1-14.

Konstatin, S. (2004) Lomonosov’s Bastards: Anatolii, Fomenko, Pseudo-History and Russia’s Search for a Post-Communist Identity. Wollongong: Wollongong University.

Martin, J. (2009) ‘The First East-Slavic State’. In: Gleason, Abbott (ed.) A Companion of Russian History. Malden, Oxford, West-Sussex: Wiley Blackwell: 34-50.

Pritsak, O. (1977) ‘The Origin of Rus’, Russian Review, 36 (3): 249-273.

Riasanovskij, N. (1947) ‘The Norman Theory of the Origin of the Russian State’, Russian Review, 7 (1): 96-110.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s