De wortels van het kwaad. Nationalisme in Joegoslavie in het Interbellum

In dit blogpost zal de aard van het nationalisme in Joegoslavië worden geïntroduceerd. De bevolking van Joegoslavië ontdekte nationaliteit als identiteit al in de negentiende eeuw. Dat er in deze post voor het interbellum is gekozen is te zien als temperatuuropname van het nationalistische kind, ziek dan wel gezond. In de periode die in 1941 begon met de Duitse inmenging was het afgelopen met de soevereiniteit en wordt het nationale aspect minder zichtbaar, in ieder geval tot en met de tijd van Tito.

In 1918 was het koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen ontstaan uit het Oostenrijk-Hongaarse rijk. De heerser was koning Peter I, eerder van 1903 tot 1918 koning van Servië. De Servische dynastie van Karađorđević, waar hij deel van uitmaakte, was het gehele Joegoslavische interbellum aan de macht met als zijn opvolgers vanaf 1921 Alexander I (tot hij in 1934 werd vermoord door een Macedonische nationalist) en Peter II (die in 1941 naar Londen vluchtte).

De koningen van Joegoslavië waren in naam voor eenheid. Het koninkrijk heette vanaf 1929 ook officieel het koninkrijk Joegoslavië. De nieuwe staat was samengesteld uit een unie van voormalige staten en was daardoor zeer gefragmenteerd. Het gebrek aan institutionele integratie hield volgens John Allock in Explaining Yugoslavia de de nieuwe staat tot 1930 bezet met het creëren van een raam werk van instituties en infrastructuur.[1] Eigen monetaire systemen moesten afgeschaft en institutionele verschillen weggewerkt die waren ontstaan onder de invloed van Oostenrijk (Slovenie, Dalmatie, Bosnie-Hercegovina) dan wel Hongarije (Kroatie, Vojvodina) of de Serven zelf (kort na de Ottomanen) in Kosovo en Macedonie. [2]

Allock schrijft in zijn economisch georiënteerde Explaining Yugoslavia dat ‘in een verenigd Joegoslavië de Serven en Kroaten gedefinieerd worden als wederzijds antagonistische groepen.’[3] Het was in het interbellum deze Servisch-Kroatische tegenstelling die het nationalistische discours domineerde. Het op het eerste gezicht eenheidsgezinde koningshuis, had daarin een dubieuze rol. In plaats van boven de etnische groepen te staan, waren ze Servisch gezind, zo valt te lezen in het jaarboek van 1992 van het Oost Europa Instituut te Amsterdam:

                ‘In major respects the government of the interbellum continued as if they owed allegiance primarily to the Serbian population. Very little was done to commit non-Serbians to the new state.[4]

Het Servische koningshuis greep in 1929 de macht met de vestiging van het koninkrijk van Joegoslavië en hief daarmee een groot deel van de lokale autonomie op. Hiermee werd nog duidelijker dat de dynastie Karađorđević  niet boven de stammen stond. Koning Alexander ontkende het verschil tussen Kroaten en Serven, en kreeg daarmee de Kroatische boerenpartij als grootste, maar niet enige tegenstander.[5] Als dictator vanaf 1929 trachtte koning Alexander middels harde hand orde te handhaven in het multinationale land, zo omschrijft de latere Kroatische minister Ivo Banac de situatie. De militaire inslag was impopulair onder met name de Kroaten en ook bij de Bosnische moslims. De Servische troepen gedroegen zich als een bezettende macht en werden dientengevolge als vijand gezien.[6]

De lokale spanningen waren echter ook al voor 1929 zichtbaar. Voor het jaar van de koningscoup waren de Servische politieke partij van de Radicalen al jaren dominant. Het kenmerkende centralisme van de Servische politieke partijen kwam tot uiting in het wegnemen van macht bij regionale overheden of zelfs het afschaffen van de gehele regio (Vojvodina). Verder werd de Servische grondwet zonder hoor en wederhoor verbreed voor heel Joegoslavië en werd het Kroatische politici spreekrecht ontzegt over de situatie, en over de aansluiting bij Joegoslavië in het bijzonder. [7]

Concluderend kan gesteld worden dat de tegenstellingen die al voor het interbellum aanzienlijk waren, versterkt werden in de periode van het eerste Joegoslavië. De schuld kan in deze periode voor een groot deel bij de Servische leiders gelegd worden, waarmee ik overigens niet de Serven de schuld in de schoenen wil schuiven voor alle etnische ellende voorheen en sindsdien. De Servische politici en de koning, samenwerkend voor 1929 en de koning alleen erna, joegen de minderheden van Joegoslavië tegen zich in het harnas door hen te benadelen en een schijn van militaire bezetting op te wekken. De wortels van het latere geweld zaten al in de grond.
                 

Jochem van Staalduine


[1] Allock, John B., Explaining Yugoslavia (Londen 2000) 56.

[2] Ibid., 55.

[3]Ibid., 332.

[4] Van den Heuvel, Martin P, en J.G. Siccama ed., The disintegration of Yugoslavia  (Amsterdam 1992).

[5] Banac, Ivo, The National Question in Yugoslavia. Origins, history politics (Londen 1984) 144-145.

[6] Banac, The Nationals Question in Yugoslavia, 147-153, 219.

[7] Banac, The National Question in Yugoslavia, 214, 217-218.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s