Franz Kafka, Midden-Europa en nationaal bewustzijn

In 1984 publiceerde de Tsjechische schrijver in exil Milan Kundera het artikel The Tragedy of Central Europe. Hierin omschrijft hij centraal Europa als niet een staat, maar een cultuur en een lot. (Kundera, 35) De tragedie van de centraal-Europese volkeren is dat ze (op moment van schrijven) cultureel tot het Westen, maar politiek tot het Oosten behoren. In het begin van de twintigste eeuw vormde het volgens Kundera het centrum van Europese cultuur – cultuur die Europa bindt. In Centraal-Europa wordt dit gezamenlijke gemeenschappelijke erfgoed nog sterk beleefd – ook en juist onder het communisme. In “Europa zelf” – de West-Europese landen die wel over hun eigen plaatsbepaling op het wereldtoneel kunnen beschikken – is dit gedachtengoed ver te zoeken. Aldus Kundera. (Kundera, 38) In het artikel omschrijft Kundera de bijzondere rol die de Joden in Centraal-Europa innemen. Volgens hem zijn de Joden symbool geworden voor Centraal-Europa: een groep kleine naties wiens wil ondergeschikt wordt gemaakt aan die van Duitsland en Rusland. (Kundera, 35) In Oostenrijk-Hongaarse Rijk, dat relatief weinig geïndustrialiseerd was en waar de rijken vooral adellijke grootgrondbezitters waren, bestond een groot deel van de burgerlijke middenklasse uit Joden. Zij speelden dus een grote rol in openbaar bestuur, cultuur en wetenschap.

Franz Kafka (1883-1924) is een schrijver die zich precies voor Kundera’s perspectief laat lenen. Als Duitstalige joodse schrijver uit Praag worstelde hij met zijn wellicht verwarrende identiteit. Boheemse Joden identificeerden zich traditioneel eerder als Duitsers dan als Tsjechen. Dit had echter niet te maken met een Duits nationaal bewustzijn, maar eerder met de loyaliteit richting het Habsburgse Rijk waar Joden het relatief goed hadden. (Weiglová, 93) Hermann Kafka noemde zijn zoon ook Franz naar de Habsburgse keizer Franz Jozef. Ook voedde hij zijn zoon Duitstalig op, terwijl Tsjechisch zijn eigen eerste taal was. De meeste Joden spraken echter ook Tsjechisch. (Weiglová, 97) Kafka heeft zelf ook moeite gedaan om Tsjechisch te leren en hield zich bezig met Tsjechische literatuur. In dagboekaantekeningen uit 1911 noemt Kafka de Tsjechische literatuur een “kleine literatuur” die – omdat Tsjechisch lange tijd geen literaire taal is geweest en pas laat een wedergeboorte beleefde – geen eigen voorbeelden had om op te bouwen. Daarom heeft de Tsjechische literatuur in de negentiende eeuw naar andere voorbeelden moeten kijken en is zo in de twintigste eeuw volgens Kafka een “wereldliteratuur” geworden. (Bassermann-Jordan, 120) Wellicht spiegelde Kafka zich in dit opzicht aan het Tsjechische. In deze periode komt het nationaal bewustzijn, gebaseerd op etniciteit en taal sterk op. “Duits” en “Tsjechisch” worden steeds meer gepolariseerde identiteiten en de glijdende schaal hiertussen verdwijnt. (Weiglová, 100) Kafka zou zich – door het groeiende ongemak met de Habsburgs-Duitse identiteit – verdiept hebben in het Tsjechische, net zoals hij zich zou verdiepen in het Jiddische, en zoals hij de Chassidim zou bestuderen; op zoek naar andere wortels. (Bassermann-Jordan, 103) Ook deze identiteit zou Kafka niet passen. In Brief an den Vater beschuldigt hij zijn vader ervan hem te weinig mee naar de tempel genomen te hebben als kind. Wanneer hij er was, voelde hij schaamde omdat hij de rituelen niet kende en niet wist hoe hij zich gedragen moest. (Kafka, 50) Zijn vader heeft geprobeerd zich in het Duitse te assimileren. Als Kafka zich in het jodendom “van zijn grootouders” gaat verdiepen, distantieert dit hem juist van zijn vader. “Durch meine Vermittlung wurde Dir das Judentum abscheulich, jüdische Schriften unlesbar, sie ‘ekelten Dich an’.” (Kafka, 53)

Kafka viel dus tussen wal en schip en is hiermee symbool voor veel Boheemse (en Midden-Europese) Joden aan het begin van de twintigste eeuw. Zijn vader had de Joodse identiteit verwaarloosd en amper aan zijn zoon doorgegeven in een poging zich in het Duitse te assimileren. Nu deze nationale identiteit steeds nauwer en meer etnisch gedefinieerd was. Ook de Tsjechische nationaliteit was voor de veelal Duitstalige Joden problematisch, zeker na de Hilsner-affaire. Tsjechische nationalisten zagen Joden ook als dragers van Duitse cultuur. Kafka was dus een Duitser onder de Tsjechen, een Jood onder de Duitsers en een Duitser onder de Joden. Deze problematische identiteit, waar veel Joden mee te maken kregen, is een belangrijke achtergrond voor de thematiek van vervreemding die in Kafka’s werk zo’n belangrijke rol speelt. Eerder geciteerde zin uit Brief an den Vater doet sterk denken aan Die Verwandlung, waarin de hoofdpersoon veranderd in een walgelijk beest en door zijn familie verstoten en uiteindelijk door zijn vader vermoord wordt.

Bronnen:

  • Bassermann-Jordan, Gabriele von. 2010. “Franz Kafka, die »kleine Litteratur« und das Tschechische” in Internationales Archiv für Sozialgeschichte der deutschen Literatur (IASL), 2: p. 98–121.
  • Kafka, Franz. 1997. Brief an den Vater. Praag: Vitalis.
  • Kundera, Milan. 1984. “The Tragedy of Central Europa” in The New York Review of Books, 26 April: 33-38.
  • Weiglová, Marké 2007. “Jews as a Barometer of the National Struggle in Bohemia and Moravia 1890-1910” in Judaica Bohemiae, 43: p. 93-120.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s