Milieuproblematiek in de ČSSR (2): de rol van de staat

In het vorige blog schreef ik over de milieuvervuiling in het communistische Tsjechoslowakije (ČSSR). Dit blog gaat over de staat: Wat was de rol van de regering in het ontstaan van de milieuproblemen, en waarom pakte zij deze problemen niet (afdoende) aan?

Het economische beleid van de CPTsj

De Communistische Partij van Tsjechoslowakije (CPTsj) had sinds 1948 de alleenheerschappij in Tsjechoslowakije. Zij stemde haar economische beleid af op de productienormen die voor elk land werden vastgesteld in de COMECON, het in 1949 opgerichte economische samenwerkingsverband van het Oostblok. Met Stalin was de COMECON georiënteerd op het opbouwen van een zware industrie, die gekenmerkt wordt door een hoog energie- en grondstoffengebruik: mijnbouw, hoogovens, machinebouw, chemische fabrieken (Tickle en Vavroušek 1998). Deze zware industrie moest de productiemiddelen opleveren waarmee het Oostblok de economische achterstand met het Westen kon inlopen, vooral ook om militaire redenen (Vaněk 1996: 16). De COMECON-normen voor Tsjechoslowakije beoogden bovendien het zo snel mogelijk winnen van de delfstoffen in Bohemen (bruinkool, ijzererts, uranium) omdat dat gebied door de Sovjet-Unie als een potentieel strijdtoneel van een militair conflict tussen “het communisme” en “het kapitalisme” werd beschouwd (Vavroušek 1994).

Met het oog op de te behalen productievolumes, die boven alles gingen, werden de prijzen van energie en grondstoffen laag gehouden. Een hoog energie- en grondstoffengebruik gold, net als rokende schoorstenen an sich (Manser 1993: 30), als teken van vooruitgang en van succes van het socialistische systeem. Jänicke (1989) noemt dit de “tonnenideologie”. Dat er waanzinnige hoeveelheden energie en grondstoffen verspild werden was gunstig voor de verantwoordelijke ministeries. Hierdoor was er geen stimulans voor de industrie om zuinig en efficiënt te zijn. En daarom moest de Oosteuropese burger de temperatuur in zijn flat regelen met het openen en sluiten van de ramen, terwijl de centrale stadsverwarming (gestookt op bruinkool) de hele winter continu heet water door de knoploze verwarmingsradiatoren pompte.

Jänicke (1989) schrijft dat de “tonnenideologie” tot eind jaren ’60 gemeengoed was in zowel Oost als West. Toen echter begin jaren ’70 de olieprijzen stegen en duidelijk werd dat de economische en maatschappelijke kosten van de milieuverontreiniging door de industrie te groot werden, zijn de Westerse economieën geherstructureerd: fabrieken gingen efficiënter met hulpbronnen om en maakten hun productieprocessen minder vervuilend. Het Westen betrad bovendien het post-industriële tijdperk: computertechnologie en hightech ontwikkelden zich en de dienstensector groeide. De cynische kant van deze herstructurering is dat Westerse bedrijven hun meest vervuilende productieprocessen naar de Derde Wereld gingen verplaatsen. En steeds meer grondstoffen uit de Derde Wereld en uit het Oostblok gingen importeren, waardoor milieuvervuiling zich van het Westen naar het Zuiden en Oosten verplaatste (Manser 1993: 37).

Jänicke (1989) laat zien dat de Oosteuropese economieën niet de flexibiliteit konden opbrengen om in de economische crisis van de jaren ’70 en ’80 ecologisch te moderniseren en zo de groei van de economie los te koppelen van een groei van grondstoffengebruik en milieuverontreiniging. Tsjechoslowakije stijgt daardoor tussen 1970 en 1985 naar de eerste plaats in een ranglijst van 31 landen die Jänicke vergelijkt op milieuimpact per eenheid van het bruto nationaal product. In de top vijf staat in 1970 één Oostblokland. In 1985 zijn dat er vier geworden.

Doordat de vijfjarenplannen zich ook in de jaren ’70 en ’80 bleven richten op groeiende productievolumes en niet op opbrengst uit verkoop, en er in deze plannen ook geen geld werd vrijgemaakt voor investering in onderhoud, modernisering en efficiëntie van de industrie, konden de eigen producten steeds slechter concurreren op de wereldmarkt (Manser 1993: 32, 37). Producten als staal en machines waren van een lage kwaliteit en konden daardoor alleen tegen lage prijzen verkocht worden. Hierdoor ontstond een vicieuze cirkel: de opbrengsten waren te laag om technologische vernieuwing te kunnen bekostigen die tot een betere kwaliteit en minder milieuvervuiling zou leiden. Zo werd het Oostblok om aan Westerse valuta te komen steeds afhankelijker van de export van grondstoffen (in plaats van producten). De ČSSR verkocht zelfs een groot deel van de goedkoop uit de Sovjet-Unie betrokken olie door aan het Westen, evenals de beste kwaliteit kolen van eigen winning. De slechtste kolen (met het hoogste zwavelgehalte) werden in eigen land verstookt (Manser 1993: 37).

De staat kon het zich dus economisch niet veroorloven om de landschapsverwoestende bruinkoolwinning stop te zetten en over te gaan op een minder vervuilende brandstof voor de industrie (zoals de Sovjet-olie). Het lukte de regering niet om de kosten van milieuvervuiling en het gebruik van de natuur mee te nemen bij het maken van economische afwegingen (Tickle en Vavroušek 1998). Door de slechte economische resultaten groeide de staatsschuld van de Oostbloklanden in de jaren ’70 en ’80 sterk waardoor nog minder middelen voor milieubeheer beschikbaar waren (Pavlínek en Pickles 2000: 14). In Tsjechoslowakije kwam hier nog bij dat de CPTsj vanaf 1970, in de periode van de zogenoemde normalisatie na het neerslaan van de Praagse Lente, de particuliere consumptie wilde opkrikken. In een soort van sociaal contract met de samenleving werd afgesproken dat de burgers zich in ruil voor een verhoogde levensstandaard zouden schikken in de maatschappelijke ordening (Moldan 1990: 16; Vaněk 1996: 19). Om deze hogere levensstandaard te bekostigen zette de staat in op verdere groei van de industriële productie.

Het milieubeheer van de CPTsj

Het milieubeheer in het Oostblok werd gekenmerkt door tegenstrijdigheden. Vooral in de Sovjet-Unie (Mirovitskaja 1995) en, voor wat betreft waterkwaliteit en bosbeheer, ook in de ČSSR (Moldan 1990: 24), waren er uitstekende milieuwetten met normen die veelal strenger waren dan in het Westen. De milieuwetten, die slechts minimale of zelfs géén vervuiling van lucht, water en bodem toestonden, werden in beide landen echter niet effectief gehandhaafd: de staat gaf bedrijven op grote schaal ontheffing van de regels. Zo verleende de Tsjechoslowaakse regering aan fabrieken en steden ca. 2400 vergunningen die vervuiling boven de wettelijke waterkwaliteitsnormen toestonden (Tickle en Vavroušek 1998). Wanneer een bedrijf de milieuregels overtrad waren de boetes laag. Deze boetes werden bovendien in de van staatswege voor de industrie beschikbaar gestelde jaarbudgetten ingecalculeerd, waardoor er nauwelijks een preventieve werking van uitging (Moldan 1990: 26).

Werden goede milieuwetten slecht gehandhaafd, ook goed milieubeleid werd vaak slecht uitgevoerd. Op het 14e partijcongres van de CPTsj in 1971 poogde de partij om (althans formeel) het milieubeheer beter te organiseren, en wel met de instelling van een Milieuraad voor Tsjechië en een Milieuraad voor Slowakije (Vaněk 1996: 26). Deze Rady pro životní prostředí hadden echter slechts een adviserende, initiërende en coördinerende bevoegdheid terwijl de beslissingsbevoegdheid bij de ministeries voor industrie, bouwwezen, landbouw e.d. bleef. De steeds zorgwekkender rapporten die de milieuraden opstelden over de milieusituatie en de effecten op de volksgezondheid en de economie, leidden tot vele nieuwe milieuwetten, milieuresoluties en milieuinvesteringsplannen van de CPTsj. Maar die werden op gebrekkige wijze geïmplementeerd en leidden niet of nauwelijks tot een verbetering van het milieu (Moldan 1990: 21-22). De instelling van een Ministerie van Binnenlandse Zaken en Milieu in 1988 bood volgens Moldan (1990: 21) geen soelaas, hoewel dat ministerie (als gevolg van de Fluwelen Revolutie van november 1989) misschien te kort heeft kunnen bestaan om er een oordeel over te vormen. Ook diplomatieke druk vanuit “het kapitalistische buitenland” zowel als “het socialistische buitenland”, die zich geconfronteerd zagen met grensoverschrijdende lucht- en watervervuiling, vermocht de situatie niet te verbeteren (Vaněk 1996: 106-107).

Laten we aan de hand van het voorbeeld Noord-Bohemen eens nader bekijken hoe milieubeleid uitgevoerd werd. Volgens Vaněk (1996: 23) besloot de regering in 1964 dat alle nieuw te bouwen elektriciteitscentrales in Noord-Bohemen moesten worden voorzien van een rookgasontzwavelingsinstallatie. Echter, geen van de acht nieuwe centrales die tussen 1964 en 1982 werden gebouwd kreeg zo’n installatie: elke keer besloot de regering opnieuw tot een “laatste uitzondering” op het beleid. Er werd uiteindelijk één ontzwavelingsinstallatie (van Sovjet-makelij) geïnstalleerd, in de jaren ’80 op de elektriciteitscentrale Tušimice II, maar die heeft nooit goed gewerkt (Tickle en Vavroušek 1998).

En hoe ging de CPTsj om met regionale milieubelangen? Vaněk (1996: 48-53) en Glassheim (2006) beschrijven hoe de lokale en regionale autoriteiten in Noord-Bohemen vanaf de jaren ’60 bij de nationale autoriteiten probeerden te bereiken dat de groei van de bruinkoolverstokende energiesector in hun regio gestopt werd, en dat de rookgassen van de bestaande bedrijven ontzwaveld werden. Dit vanwege de verslechtering van de volksgezondheid en het geestelijk welbevinden van de bevolking en de bijbehorende politieke risico’s. Ook waarschuwden zij voor de demografische gevolgen van de luchtvervuiling. Met name hoger opgeleide burgers trokken massaal weg uit Noord-Bohemen waardoor er een tekort aan onder meer leraren en artsen ontstond. Pavlínek en Pickles (2000: 107-108) beschrijven hoe de hoogste volksgezondheidsambtenaren van de regio Noord-Bohemen en van het district Most in 1968 de bouw van drie elektriciteitscentrales zonder ontzwavelingsinstallatie bovenwinds van Most in eerste instantie wisten tegen te houden door hun goedkeuring te onthouden. De nationale regering heeft daarop het instemmingsrecht van de regio en het disctrict afgenomen en dit aan de volksgezondheidsambtenaar op het nationale niveau toebedeeld. Vervolgens heeft de nationale overheid een deel van het grondgebied van het district Most overgedragen aan het buurdistrict Louny en hierop, bovenwinds van Most, alsnog twee elektriciteitscentrales zonder ontzwaveling gebouwd: Počerady I en II.

In Noord-Bohemen werden al met al nauwelijks effectieve maatregelen tegen de zwaveluitstoot genomen. Pavlínek en Pickles (2000: 114) noemen alleen dat de elektriciteitscentrales de opdracht kregen onder ongunstige weersomstandigheden (waardoor de rookgassen onder het Ertsgebergte bleven hangen) minder elektriciteit te produceren en een betere kwaliteit kolen te gebruiken. Wel werden maatregelen genomen om de emigratie uit het gebied te stoppen (Vaněk 1996: 61-64). Lonen werden verhoogd met een loyaliteitsbonus en het werd elders in het land verboden om artsen en leraren afkomstig uit Noord-Bohemen een baan en woonruimte aan te bieden. Op de momenten dat de luchtvervuiling het ergst was werden de regionale media gevuld met berichten over wat de autoriteiten allemaal voor goeds voor het milieu deden (Vaněk 1996: 59) en dat milieuvervuiling een probleem was van kapitalistische landen (Vaněk 1996: 29). En tot het eind van de jaren ’80 namen de bruinkoolwinning en de elektriciteitsproductie in de regio toe (Vaněk 1996: 65).

Goed, zo zagen het economische beleid en het inconsequente milieubeheer er globaal uit. Met, zoals beschreven in het eerste blog, een desastreus effect op het milieu in de industriële regio’s van het land. Welke verklarende factoren kunnen we voor het door de CPTsj gevoerde beleid aanvoeren?

Ideologie als verklarende factor

Lange tijd hebben de machthebbers in Tsjechoslowakije en de andere Oostblokstaten het bestaan van de milieuproblematiek niet willen onderkennen. Zij hingen het dogma aan dat “milieuproblemen in het socialisme simpelweg niet kunnen ontstaan” (Moldan 1990: 16). Pavlínek en Pickles (2000: 23-24) stellen dat het aanhangen van de marxistische ideologie, die technologische ontwikkeling gelijkstelt aan sociale vooruitgang, in het Oostblok verhinderde dat er kritisch naar (milieu)gevaren en (milieu)risico’s van technologie werd gekeken. Baker en Jehlička (1998) beschrijven dat, toen de milieuproblemen inmiddels zo erg geworden waren dat ze niet meer genegeerd konden worden, de Oostblokregeringen nog steeds geloofden dat deze problemen niet konden samenhangen met het economische beleid, maar slechts “tijdelijke abberaties” waren: puur fysische fenomenen die vanzelf zouden verdwijnen met het voortschrijden van wetenschappelijke en technologische kennis.

Mirovitskaja (1995, 1998) legt uit hoe deze opvatting van communistische partijen over milieuproblemen is ontstaan. Volgens de marxistisch-leninistische leer zijn milieuproblemen fenomenen van het kapitalisme: doordat de noodzaak van het streven naar winst in het kapitalistische systeem allesbepalend is, en vanwege het bestaan van concurrentie, kunnen de eigenaren van de productiemiddelen geen milieubelangen meewegen in hun besluitvorming. Het socialisme daarentegen streeft niet naar winst en gebruikt de natuur noodzakelijkerwijs zo efficiënt mogelijk: land, water, grondstoffen, bossen en fabrieken zijn eigendom van het volk dat zelf over de inzet ervan kan beschikken. Omdat de natuur van het volk is en omdat een goede staat van de natuurlijke rijkdommen in het belang van het volk zelf is (om in te leven en om mee te produceren) zal het volk, dat niet door de kapitalistische eigendomsverhoudingen vervreemd is van zijn leefomgeving, bij het inzetten van de productiemiddelen in harmonie met de natuur handelen en deze als vanzelf ontzien: de “dialektische integriteit van mens en natuur”.

Mirovitskaja (1995, 1998) oordeelt dat naast Lenins gedachtengoed ook Lenins beleid vriendelijk voor natuur en milieu was. Lenin was ervan overtuigd dat “om de natuur te kunnen commanderen, men haar moet gehoorzamen”. Lenin zorgde ervoor dat wetenschappelijke studie werd verricht naar het functioneren van ecosystemen om op basis daarvan verstandig met natuurlijke hulpbronnen om te kunnen gaan en een duurzame economie te kunnen ontwikkelen. Ook was Lenin de zaak van de natuurbescherming toegedaan, die hij beschouwde als een essentieel onderdeel van de opbouw van een socialistische maatschappij. Lenin ontwikkelde beleid voor natuurbehoud en natuurbescherming, en zorgde voor een sterke vergroting van het areaal beschermd natuurgebied in de Sovjet-Unie. Voorts stimuleerde de vroege Sovjetregering de oprichting van allerlei niet aan de regering gelieerde maatschappelijke organisaties voor natuurbehoud.

Dit alles veranderde radicaal in 1928 met het verkrijgen van alleenheerschappij door Stalin. Stalin introduceerde een volgens Mirovitskaja (1995, 1998) pseudo-marxistische voorstelling van de natuur die leidend werd in zijn economische beleid: de natuur is een oneindige en vrij beschikbare hulpbron die door de staat getransformeerd en gebruikt moet worden ten behoeve van economische groei. Op ongeveer dezelfde manier dacht Stalin over de mens. Stalins wens om de economische achterstand met de geïndustrialiseerde wereld in te lopen en en passant de superioriteit van de Sovjet-Unie aan te tonen leidde vervolgens tot vijfjarenplannen met megalomane industriële, landbouwkundige en waterbouwkundige projecten waarmee roofbouw werd gepleegd op de natuurlijke rijkdom van het land en die tot gigantische milieuvervuiling en natuurvernietiging leidden. Wetenschappers die vragen stelden over de duurzaamheid van het beleid in ecologisch en daarmee in economisch opzicht werden beschuldigd van het creëren van kunstmatige grenzen aan de groei, en verdwenen van het toneel. Hetzelfde lot was de door Lenin gestimuleerde natuur- en milieuorganisaties beschoren.

De rol van de ideologie in het ontstaan en voortduren van de milieuproblematiek is daarmee dat de Oostblokstaten hun economische beleid baseerden op Stalins desastreuze pseudo-marxistische idee over de natuur (de mens moet de natuur onderwerpen) en zij zich tegelijkertijd gesloten hielden voor signalen over milieuproblemen en over de beleidsmatige oorzaken van deze problemen met argumenten ontleend aan de oorspronkelijke marxistisch-leninistische leer (socialisme voorkómt milieuproblemen), terwijl zij echter noch de natuur behandelden conform deze oorspronkelijke leer (de mens moet de natuur gehoorzamen om haar te kunnen commanderen), noch de mens (zeggenschap over de productie leidt tot een harmonische omgang met de natuur).

Manser (1993: 30) stelt dat de Stalinistische ideologie niet zozeer ten grondslag lag aan de economische focus van de Sovjet-Unie op de ontwikkeling van zware industrie, maar dat deze ideologie werd ontwikkeld om de politieke keuze van de communistische partij voor zware industrie te legitimeren. Vanaf 1926 kregen de communisten die voor zware industrie waren de overhand binnen de partij. De partij geloofde dat het inzetten op zware industrie zou leiden tot maximale groei en een socialistische economie, en een enthousiasmerend politiek doel zou vormen voor de partijachterban. Aangezien zware industrie zeer kapitaalintensief is, bleef er weinig geld over voor iets “nutteloos” als lichte industrie. Bovendien was zware industrie in een centraal geplande economie makkelijker aan te sturen (Manser 1993: 32).

Glassheim (2006) stelt dat de kern van de milieuproblematiek in Oost en West gelijk was: het laat-moderne streven naar economische groei zonder acht te slaan op de prijs van deze groei voor mens en milieu. Glassheim wijst er op dat net als in het Westen ook in het Oosten het materialisme allesbepalend was: de opvatting dat werelds bezit belangrijker is dan niet-economische en subjectieve waarden als spiritualiteit, moraliteit en romantische opvattingen over schoonheid, van bijvoorbeeld het landschap. In het Oostblok werd dit materialisme bovendien actief uitgedragen door de staat met Marx’ leer van het historisch materialisme, dat ervan uitgaat dat al het geestelijke leven bepaald wordt door tastbare zaken als arbeid, productiemiddelen, productie en consumptie.

De totalitaire bestuursvorm als verklarende factor

De nadruk op productie bepaalde het institutionele ontwerp van de staat, de machtsbalans tussen de verschillende ministeries, de economische plannen en de politieke doelen (Carmin en Hicks 2002). Pavlínek en Pickles (2000: 25) geven als karakteristieken voor het staatssocialistische ontwikkelingsmodel: de grootschaligheid van economische bedrijvigheid, regulering door centrale planning, een arbeidsmodel dat werkt middels “bureaucratisch despotisme” en “autoritair paternalisme” en de hegemonie van de communistische partij over het politieke, sociale en culturele leven met het doel om het staatssocialistische ontwikkelingsmodel te stabiliseren en te beschermen. Deze totalitaire bestuursvorm had een aantal eigenaardigheden die in de praktijk ongunstig uitpakten voor het milieubeheer.

Een van de ongunstige aspecten van het éénpartijstelsel is volgens Tickle en Vavroušek (1998) belangenverstrengeling en het ontbreken van checks and balances. Tickle en Vavroušek wijzen erop dat dezelfde groep mensen die de milieuwetten maakte en deze moest handhaven (bijvoorbeeld met het uitdelen van boetes) tevens eigenaar was van de fabrieken die de milieuwetten moesten naleven, en dat deze zelfde groep mensen ook verantwoordelijk was voor de rechtspraak bij overtredingen. Wanneer het planbureau van de CPTsj zou hebben gestuurd op het halen van milieudoelstellingen zou dit misschien wel een ideale situatie zijn geweest, maar het planbureau stuurde op het vervullen van de productienormen. Ministeries waren jegens de industrie daarom directief als het ging om het opleggen van productienormen (Pavlínek en Pickles 2000: 16), maar milieunormen werden in onderhandeling tussen staat en fabrieksdirectie vastgesteld. Daarbij was volgens Manser (1993: 31, 35) de staat de zwakke partij. De ministeries waren namelijk van de industrie afhankelijk voor het behalen van de hun door het planbureau opgelegde productienormen en wilden geen milieueisen stellen die de productievolumes konden bedreigen. Tickle en Vavroušek (1998) oordelen dat deze praktijk, waarin een bedrijf zoveel mocht vervuilen als nodig was voor het behalen van de opgelegde productiedoelen, de rechtsstaat ondermijnde en de legitimiteit van de staat als beschermer van het milieu aantastte.

Het socialistische ideaal van “collectieve verantwoordelijkheid” (van alle overheidsorganen tezamen voor in dit geval milieubescherming) ontaardde volgens Moldan (1990: 17) in het zich juist onttrekken van beleidsmakers en uitvoerders aan hun verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld door onhelder beleid te formuleren waar je nog meerdere kanten mee op kunt. Dit je onttrekken aan verantwoordelijkheid noemt Moldan karakteristiek voor het totalitaire bewind – er was in Tsjechoslowakije net als in de Sovjet-Unie een apart woord voor: obezlička respectievelijk обезличка, dat ook wel vertaald wordt met “soort van oplossing”. Het nemen van verantwoordelijkheid werd in het totalitaire systeem ook bemoeilijkt door departementalisme, het verschijnsel dat ministeries en fabrieken oppermachtig zijn op één terrein, maar daarbuiten niets te zeggen hebben en geen bemoeienis van andere departementen dulden (Moldan 1990: 17-18). Terwijl milieubeheer juist samenwerking tussen verschillende economische sectoren en geografische gebieden vergt omdat milieusystemen en milieuproblemen geneigd zijn om politieke en geografisch grenzen te overschrijden.

Andere voor milieubeheer ongunstige aspecten van de totalitaire bestuursvorm en de centrale planningssystematiek die genoemd worden door Moldan (1990), Tickle en Vavroušek (1998) en Pavlínek en Pickles (2000) zijn inflexibiliteit en inefficiëntie en de afname van moraal, discipline, motivatie en initiatief van ambtenaren en arbeiders.

We hebben bekeken hoe de milieuproblematiek in Tsjechoslowakije samenhing met het economische beleid en het milieubeleid van de communistische regering. Het lijkt er op dat de Oostblokregeringen, als de bureaucratische eigenaren van de natuurlijke rijkdommen en van de productiemiddelen, functioneerden als een staatskapitalistische variant van het bedrijfsmonopolie (Mirovitskaja en Soroos 1995). De door de communistische partijen geleide staatsbedrijven gedroegen zich net als bedrijven in het kapitalisme doen vóór de komst van adequate milieuregelgeving (zoals nu nog meestal het geval is in ontwikkelingslanden): uitsluitend aandacht hebbend voor hun productie respectievelijk winst, externaliseren ze alle milieukosten en vervuilen er lustig op los.

We hebben het beleid van de communistische partijen verklaard door te kijken naar ideologische motieven en naar de eigenaardigheden van de totalitaire bestuursvorm. Eén aspect van het totalitaire systeem hebben we nog niet behandeld.

Politieke wil en publieke opinie

Alle macht was in handen van één partij, de CPTsj. Dat biedt mogelijkheden voor vooruitstrevend milieubeleid, zou je denken. We zagen echter al bij Mirovitskaja (1995, 1998) dat dat een kwestie van willen is. Lenin wilde wel. Stalin wilde niet. Dominick (1998) concludeert, na een analyse van de ontwikkeling van het milieubeheer in de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek, dat de voornaamste verklarende factor voor het verschil tussen het kapitalistische en het socialistische Duitsland niet gelegen is in de verschillende politiek-economische systemen (zoals Moldan (1990) en Tickle en Vavroušek (1998) betogen), maar dat het simpelweg de aan- of afwezigheid van politieke wil was om milieubescherming af te dwingen. Brandt wilde wel. Honecker wilde niet.

Als reden voor het begin jaren ’70 ontstaan van deze politieke wil in West-Duitsland noemt Dominick: de combinatie van alarmerende berichten in de media, de opkomst van milieuactivisme, een verandering in de publieke opinie en aandacht van politieke partijen. De West-Duitse regering kon hier niet omheen: of het nu uit overtuiging was of uit politieke berekening, ze gaf gehoor aan de roep van wetenschap, media en publiek om het aanpakken van de milieuproblematiek.

Een vrije pers, burgeractivisme, een publieke opinie en een meerpartijenstelsel waren fenomenen die in de DDR, net als in de ČSSR, ontbraken. In het volgende blog bekijken we hoe Tsjechoslowaakse burgers zich toch voor de milieuproblematiek engageerden en hoe de staat daarop reageerde.

Valentijn van ’t Riet

100Kcs

Bronnen

  • Baker, S. & Jehlička, P. (1998): Dilemmas of transition: The environment, democracy and economic reform in East Central Europe – an introduction. Environmental Politics 7(1), 1-26.
  • Carmin, J. en Hicks, B. (2002): International Triggering Events, Transnational Networks, and the Development of Czech and Polish Environmental Movements. Mobilization: An International Journal 7(3), 305-324.
  • Dominick, R. (1998): Capitalism, Communism, and Environmental Protection: Lessons from the German Experience. Environmental History 3(3), 311-332.
  • Glassheim, E. (2006): Ethnic Cleansing, Communism, and Environmental Devastation in Czechoslovakia’s Borderlands, 1945–1989. The Journal of Modern History 78(1), 65-92.
  • Jänicke, M., Mönch, H., Ranneberg, Th. en Simonis, U. (1989): Structural Change and Environmental Impact: Empirical Evidence of Thirty-One Countries in East and West. Environmental Monitoring and Assessment 12, 99-114.
  • Manser, R. (1993): Failed Transitions. The Eastern European Economy and Environment since the Fall of Communism. New York: The New Press.
  • Mirovitskaja, N. en Soroos, M. (1995): Socialism and the Tragedy of the Commons: Reflections on Environmental Practice in the Soviet Union and Russia. Journal of Environment and Development 4(1), 77-110.
  • Mirovitskaja, N. (1998): The Environmental Movement in the Former Soviet Union. Environment and Society in Eastern Europe, A. Tickle and I. Welsh (red.), 30-66. Harlow: Addison Wesley Longman.
  • Moldan, B. et al (1990): Životní prostředí České republiky. Vývoj a stav do konce roku 1989. Praha: Academia.
  • Pavlínek, P. en Pickles, J. (2000): Environmental Transitions. Transformation and ecological defence in Central and Eastern Europe. London: Routledge.
  • Tickle, A. en Vavroušek, J. (1998): Environmental Politics in the Former Czechoslovakia. Environment and Society in Eastern Europe, A. Tickle and I. Welsh (red.), 114-145. Harlow: Addison Wesley Longman.
  • Vaněk, M. (1996): Nedalo se tady dýchat. Ekologie v českých zemích v letech 1968 až 1989. Praha: Maxdorf / Ústav pro soudobné dějiny AV ČR.
  • Vavroušek, J. (1994): Environmental Management in Czechoslovakia and Succession States. Environmental Impact Assessment Review 14(2-3), 103-110.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s