Het conflict tussen het Tsjechische Legioen en de Bolsjewieken

Van 1914 tot 1920 was er in Rusland een legioen Tsjechische en Slowaakse soldaten. Deze soldaten waren krijgsgevangen genomen door de Russen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De groep werd tussen 1914 en 1917 gevormd om ten slotte erkend te worden als een Tsjecho-Slowaakse legereenheid in Rusland. In mei 1918 kwam het Legioen in opstand tegen de Bolsjewieken, wat leidde tot een strijd die duurde tot 1920. In dit artikel wil ik kijken naar de oorzaak van het conflict en de gevolgen die het heeft gehad voor het Tsjechische Legioen.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog behoorden de meeste Tsjechen en Slowaken bij Oostenrijk-Hongarije. Oostenrijk-Hongarije maakte deel uit van de Centralen en zetten de Tsjechen en Slowaken in bij de strijd tegen de Russen. De Tsjechen en Slowaken zagen de Oostenrijkers en Hongaren echter als onderdrukkers en wilden niet vechten tegen hun ‘Slavische broeders’. Naast de gewone soldaten die krijgsgevangen werden genomen door de Russen, waren er daarom ook veel die vrijwillig overliepen (Bradley, 1963). Al in 1914 zette Rusland Tsjechische vrijwilligers in bij de strijd tegen de Centralen, zij waren vooral afkomstig uit Tsjechische kolonies in Rusland. Deze groep werd de Droezjina genoemd. Tot en met 1917 werden de meeste Tsjechische en Slowaakse krijgsgevangen ondergebracht bij deze groep die uitgroeide het Tsjechische Legioen (Kennan, 1957; Bradley, 1963).  Het plan was dat zij met de Russen mee zouden vechten tegen de Centralen, maar zover is het nooit echt gekomen. Eind 1917 werd het legioen door de Geallieerden erkend als een ‘autonoom Tsjecho-Slowaaks leger’ (Bradley, 1963).

In februari 1918 vielen de Duitsers Oekraïne binnen, het Tsjechische Legioen dat gestationeerd was in Kiev, werd daardoor genoodzaakt zich terug te trekken richting Rusland. Met de Bolsjewieken werd afgesproken dat het legioen over de Trans-Siberische spoorlijn naar het Oosten mocht trekken om Rusland via Vladivostok te verlaten. Vanaf daar wilden ze naar Frankrijk om te vechten voor een eigen vaderland (Bradley, 1963). Op 15 maart besloot de leiding van de Sovjets in Moskou dat het Tsjechische Legioen dan wel het grootste gedeelte van de wapens moest inleveren. De commissaris van oorlog, Trotski, wilde het Legioen echter niet verder naar het Oosten laten reizen en eiste een volledige ontwapening (Kennan, 1957). Dit leidde ertoe dat de wagons op 22 maart werden stilgezet (Bradley, 1963). Op 26 maart werd overeengekomen dat het Legioen verder zou worden ontwapend en dat de soldaten als gewone burgers verder zouden mogen reizen. Daarnaast moesten de niet-communistische Russische commandanten van hun post worden verwijderd (Kennan, 1957).

In de twee maanden die volgden, werd er niet verder gereisd vanwege de ontwapening en verdere besluitvorming over wat men met het Tsjechische Legioen aan moest. In deze tijd groeide het ongenoegen over de situatie en werden de Bolsjewieken steeds meer gewantrouwd. Er kwamen geruchten dat de Bolsjewieken het Legioen volledig wilden ontwapenen om ze vervolgens over te geven aan Oostenrijk-Hongarije (Kennan, 1957). In de loop van april begonnen de Geallieerden het idee om het Tsjechische Legioen naar Frankrijk over te brengen steeds aantrekkelijker te vinden en op 21 april sloten ze hierover een overeenkomst met de Russen. Omdat de Geallieerden niet het hele Legioen vanuit Vladivostok kon verschepen, werd besloten om de ene helft via Archangelsk te vervoeren en de andere helft via Vladivostok. Door een samenloop van omstandigheden zagen de Tsjecho-Slowaken dit als een complot van de Bolsjewieken om hen te verzwakken. Dit zorgde ervoor dat het idee om zich met geweld een weg naar het Oosten te banen steeds meer aanhang kreeg. Tegelijkertijd verdachten de Bolsjewieken de Geallieerden ervan dat ze het Tsjechisch Legioen naar Rusland hadden laten komen om hen tegen te werken en de macht te grijpen in Siberië (Bradley, 1963).

Het sleutelmoment dat de opmaat was tot de opstand van het Tsjechische Legioen was een incident in Tsjeljabinsk tussen Tsjechische een Hongaarse soldaten (Bradley, 1963; Kennan, 1958). Kort hierna gaf Trotski het bevel om het hele Tsjechische Legioen te ontwapenen en ze in te zetten als arbeiders of als soldaten in het Rode Leger (Kennan, 1958). Toen de Bolsjewieken het Legioen op 25 mei wilden ontwapenen, kwam het in opstand.  De Bolsjewieken werden overmeesterd en de Trans-Siberische spoorlijn werd in de tijd die volgde veroverd door het Tsjechische Legioen (Bradley, 1963; Kennan 1958). Omdat de hele spoorlijn in handen van het Legioen kwam, konden ze iedereen makkelijk naar Vladivostok verplaatsen. De Geallieerden waren alleen niet in staat om iedereen meteen te verschepen en daarom hielpen ze het Tsjechische Legioen tegen het Rode Leger te vechten (Dziak, 2012). Deze gang van zaken paste goed bij de idealen van de Geallieerden, die de Bolsjewieken te val wilden brengen (Dziak, 2012; Kennan, 1957). Tot en met februari 1920 vochten het Rode Leger en het Tsjechische Legioen tegen elkaar. Het Rode Leger werd echter steeds sterker (Dziak, 2012) en was beter georganiseerd dan het Tsjechische Legioen (Bradley, 1963). De soldaten van het Legioen raakten naar verloop van tijd ook gedemotiveerd en wilden Rusland verlaten. Dit leidde in februari tot een wapenstilstand. Het Tsjechische Legioen werd in de loop van het jaar naar Vladivostok gebracht en in september vertrok het laatste schip richting Europa (Dziak, 2012), maar de oorlog was al voorbij.

Concluderend kan worden gesteld dat de oorzaak voor de opstand van het Tsjechische Legioen tegen de Bolsjewieken een combinatie was van strijdende belangen, oplopende irritaties en wantrouwen van beide kanten. De Tsjecho-Slowaken wilden naar Frankrijk, maar de Russen werkten niet mee bij hun reis richting Vladivostok.  Dit zorgde voor oplopende spanningen en toenemend argwaan bij het Legioen, het ontstane  conflict bij Tsjeljabinsk werd een kantelpunt en aanleiding tot de opstand. De weg richting Vladivostok kwam hierdoor vrij, maar vanwege de belangen van de Geallieerden en beperkte transportmogelijkheden heeft het Tsjechische Legioen tot februari 1920 tegen het Rode Leger gevochten.

 

Geraadpleegde bronnen:

Bradley, J. (1963). The Czechoslovak Revolt against the Bolsheviks. Soviet Studies, 15(2), 124-151.

Dziak, R. (2012). The Czechoslovak Legions in World War I. Verginia: United States Marine Corps Command and Staff College, Marine Corps University.

Kennan, G. (1957). The Czechoslovak Legion. The Russian Riview, 16(4), 3-16.

Kennan, G. (1958). The Czechoslovak Legion: II. The Russian Riview, 17(1), 11-28.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s